Wie mag stemmen, móet ook stemmen: dat vond de regering in 1917. Maar ‘dwang om naar de stembus te komen’ past niet bij vrijheid, vindt VVD-er Hans Wiegel in 1970. Veel Kamerleden zijn het met hem eens. De kiezer moet zelf bepalen of hij wil stemmen, vinden zij. Vanaf 1970 is stemmen niet meer verplicht. Dat heeft gevolgen: de opkomst bij de verkiezingen van 28 maart 1971 is lager dan vier jaar eerder. In 1967 stemt 94,9 % van alle kiezers. In 1971 daalt dat percentage naar 79,1 %.

Minister van Binnenlandse Zaken Henk Beernink: “Veel meer dan de gedachte ‘publiek recht is publieke plicht’ speelt op het ogenblik een rol de vrijheid van de kiezer om zelf in een vrije democratie te bepalen, of hij van zijn stemrecht gebruik zal maken of niet.”

Handelingen Tweede Kamer, 18-2-1970
Krantenartikel: Tweede Kamer wil geen opkomstplicht meer bij verkiezingen

| Bron: Leeuwarder Courant, 19-2-1970

J. Klijnsma, ingezonden brief: “‘Ik ben niet meer verplicht om te stemmen en daarom doe ik het ook meer’, heb ik al een paar maal gehoord. Deze onverschilligheid is een hoogst ernstige zaak. Geen Fries of welke Nederlander dan ook mag zich dit democratisch recht op kiezen voorbij laten gaan!”

Leeuwarder Courant, 9-3-1970